Wat wilde een mens?
Ze gaf mij een knikje.
Ik gaf een knikje terug.
Maar we zeiden niks.
Onze ogen ja.
Die spraken.
Toch zeiden ze niet veel.
Ik kon er in ieder geval niks uit opmaken.
Het was gissen.
Ik kon niet achterhalen wat ze wou.
Zij liep de trap af
Ik de trap op.
En om ons heen mensen.
Reizigers.
Iedereen druk met zichzelf.
In de weer met van alles.
Hoe laat komen de kinderen van school?
Wat eten we vanavond?
En ik moet nog gedichten schrijven.
Voor Sinterklaas.
God ja, dat moet ook nog.
Ik zag ’t gepeins.
Het wikken en wegen.
Ik zag voorhoofden fronsen.
Wat wilde een mens?
En ze gaf mij een knikje.
En ik gaf een knikje terug.
Was ’t echt zo eenvoudig?
